
In memoriam
Pater Jan van Kilsdonk
Op zondag 6 juli 2008 woonde ik ’s avonds in de Oude Kerk in Amsterdam de avondwake bij voor de vijf dagen eerder overleden pater Jan van Kilsdonk, ook wel aangeduid als de priester van Amsterdam. Voor een niet-religieus opgevoed persoon die ook nu niet bij enige godsdienstige stroming is aangesloten, was het een overweldigende ervaring. Zelf meende hij dat de rooms-katholieke kerk op de meest passende en indrukwekkende manier in staat is het afscheid van een overledene te begeleiden. Pas nu begreep ik dat. Dit was niet de uitvaart, die pas maandag kwam, en de begrafenis zelf vond plaats in besloten kring. Maar ook tijdens de wake deden de kerkmuziek, de gezangen, de rituelen en de bewogen speeches van mensen die hem nabij stonden je uren verkeren in een roes die ook daarna nog aanhield. Een mens beleeft maar eenmaal de belangrijkste gebeurtenis uit zijn of haar leven en bij dat sterven mag worden stilgestaan, niet eventjes maar langdurig en vooral intens.
Ik maak er geen gewoonte van begrafenissen of voorbereidingen daarop af te lopen - alleen in een aantal gevallen dat familieleden of een geliefde stierven, deed ik dat. Jan van Kilsdonk werd de eerste uitzondering. Hij was voor mij een altijd aanwezige in de homocafés waar ik kwam, op straat en ook wel op een enkele bijeenkomst of binnenshuis. Hij stond bekend om zijn enorme geheugen en kon meestal na lange tijd nog het gezicht en de naam herinneren van één van de vele duizenden die hij ontmoette. Hij bad voor het grote kruis in zijn woning waarbij zijn gebed naar eigen zeggen niets anders inhield dan het reproduceren van de namen van mensen die hij die dag had ontmoet. Bijna altijd schreef hij hen brieven, doorgaans zo’n vier op een dag, zoals ik, nu al zo’n dertig jaar geleden, tot mijn verbazing ervoer na een niet eens zo lange ontmoeting.
Van Kilsdonks vermogen om door een ander mens ontroerd te raken was een hoogst zeldzame gave. Hij kwam niet met een boodschap naar iemand toe, maar wachtte tot er bij de ander behoefte was aan contact waarop hij altijd enigszins schuchter een uitnodigende hand uitstak. Dan luisterde hij en bemoedigde hij, niet zelden met poëtisch taalgebruik, met een blik van intense aandacht en tederheid. Wie ook maar eenmaal een ontmoeting had met deze man, vergat dat niet meer.
De mens was geschapen naar het beeld van God, maar Van Kilsdonk sprak nooit over God. Van zijn vader had hij geleerd dat het oppassen was met wie dat te veel deed, want die wilde zich vooral laten gelden. Zelf was hij wars van bekeringsarbeid en had als missie ‘slechts’ om ‘het gerucht over God gaande te houden’. En dat moest in de mens terug te vinden zijn. Juist om die reden herontdekte menig ex-gelovige opnieuw de waarde van religie – maar nu ontdaan van alle dogma’s van het Vaticaan of welke hogere instantie dan ook.
Jan van Kilsdonk was bij uitstek anti-autoritair. Hij werd al lang geleden door het Vaticaan ontboden na zijn beschuldiging dat hoge geestelijk leiders zich schuldig maakten aan ‘psychische terreur’. Hij miste bij hen het vermogen om los van starre dogma’s de mensen te nemen zoals ze zijn en ‘achter de schuld de onschuld te zoeken’. Hij is nooit uit de kerk gestapt. Hij is er ook nooit uitgezet, misschien omdat de satrapen, zoals hij hen dodelijk benoemde, zijn morele gezag moeilijk durfden te trotseren. Hij verzette zich tegen het verplichte priestercelibaat, kwam op voor de rechten van vrouwen in de kerk en noemde homoseksualiteit geen stoornis maar een ‘vondst van de Schepper’.
Van Kilsdonk zocht vooral de communicatie met de verschoppelingen. Dat konden degenen zijn die zich door opvoeding zondig voelden vanwege hun homoseksualiteit, nabestaanden van suïcideplegers of aidspatiënten. Hij maakte van de vele begrafenissen die hij begeleidde een meer dan waardig afscheid: het lichaam van de overledene zalvend, wijwater sprenkelend, wierook gebruikend en in zijn speciale mantel een diepe buiging van eerbied makend.
Een dergelijk afscheid is de 91 jaar geworden pater nu ook gegeven. Eén dag voor zijn dood zag ik hem in het voorbijgaan op een bankje zitten voor het verzorgingshuis waar hij de laatste twee jaar verbleef. ‘Ik wil hem weer spreken’, schoot er door me heen. Maar die kans kreeg ik niet meer. De dood komt vaak onverwachts en dat was ook hier zo.
Op zondag 6 juli 2008 woonde ik ’s avonds in de Oude Kerk in Amsterdam de avondwake bij voor de vijf dagen eerder overleden pater Jan van Kilsdonk, ook wel aangeduid als de priester van Amsterdam. Voor een niet-religieus opgevoed persoon die ook nu niet bij enige godsdienstige stroming is aangesloten, was het een overweldigende ervaring. Zelf meende hij dat de rooms-katholieke kerk op de meest passende en indrukwekkende manier in staat is het afscheid van een overledene te begeleiden. Pas nu begreep ik dat. Dit was niet de uitvaart, die pas maandag kwam, en de begrafenis zelf vond plaats in besloten kring. Maar ook tijdens de wake deden de kerkmuziek, de gezangen, de rituelen en de bewogen speeches van mensen die hem nabij stonden je uren verkeren in een roes die ook daarna nog aanhield. Een mens beleeft maar eenmaal de belangrijkste gebeurtenis uit zijn of haar leven en bij dat sterven mag worden stilgestaan, niet eventjes maar langdurig en vooral intens.
Ik maak er geen gewoonte van begrafenissen of voorbereidingen daarop af te lopen - alleen in een aantal gevallen dat familieleden of een geliefde stierven, deed ik dat. Jan van Kilsdonk werd de eerste uitzondering. Hij was voor mij een altijd aanwezige in de homocafés waar ik kwam, op straat en ook wel op een enkele bijeenkomst of binnenshuis. Hij stond bekend om zijn enorme geheugen en kon meestal na lange tijd nog het gezicht en de naam herinneren van één van de vele duizenden die hij ontmoette. Hij bad voor het grote kruis in zijn woning waarbij zijn gebed naar eigen zeggen niets anders inhield dan het reproduceren van de namen van mensen die hij die dag had ontmoet. Bijna altijd schreef hij hen brieven, doorgaans zo’n vier op een dag, zoals ik, nu al zo’n dertig jaar geleden, tot mijn verbazing ervoer na een niet eens zo lange ontmoeting.
Van Kilsdonks vermogen om door een ander mens ontroerd te raken was een hoogst zeldzame gave. Hij kwam niet met een boodschap naar iemand toe, maar wachtte tot er bij de ander behoefte was aan contact waarop hij altijd enigszins schuchter een uitnodigende hand uitstak. Dan luisterde hij en bemoedigde hij, niet zelden met poëtisch taalgebruik, met een blik van intense aandacht en tederheid. Wie ook maar eenmaal een ontmoeting had met deze man, vergat dat niet meer.
De mens was geschapen naar het beeld van God, maar Van Kilsdonk sprak nooit over God. Van zijn vader had hij geleerd dat het oppassen was met wie dat te veel deed, want die wilde zich vooral laten gelden. Zelf was hij wars van bekeringsarbeid en had als missie ‘slechts’ om ‘het gerucht over God gaande te houden’. En dat moest in de mens terug te vinden zijn. Juist om die reden herontdekte menig ex-gelovige opnieuw de waarde van religie – maar nu ontdaan van alle dogma’s van het Vaticaan of welke hogere instantie dan ook.
Jan van Kilsdonk was bij uitstek anti-autoritair. Hij werd al lang geleden door het Vaticaan ontboden na zijn beschuldiging dat hoge geestelijk leiders zich schuldig maakten aan ‘psychische terreur’. Hij miste bij hen het vermogen om los van starre dogma’s de mensen te nemen zoals ze zijn en ‘achter de schuld de onschuld te zoeken’. Hij is nooit uit de kerk gestapt. Hij is er ook nooit uitgezet, misschien omdat de satrapen, zoals hij hen dodelijk benoemde, zijn morele gezag moeilijk durfden te trotseren. Hij verzette zich tegen het verplichte priestercelibaat, kwam op voor de rechten van vrouwen in de kerk en noemde homoseksualiteit geen stoornis maar een ‘vondst van de Schepper’.
Van Kilsdonk zocht vooral de communicatie met de verschoppelingen. Dat konden degenen zijn die zich door opvoeding zondig voelden vanwege hun homoseksualiteit, nabestaanden van suïcideplegers of aidspatiënten. Hij maakte van de vele begrafenissen die hij begeleidde een meer dan waardig afscheid: het lichaam van de overledene zalvend, wijwater sprenkelend, wierook gebruikend en in zijn speciale mantel een diepe buiging van eerbied makend.
Een dergelijk afscheid is de 91 jaar geworden pater nu ook gegeven. Eén dag voor zijn dood zag ik hem in het voorbijgaan op een bankje zitten voor het verzorgingshuis waar hij de laatste twee jaar verbleef. ‘Ik wil hem weer spreken’, schoot er door me heen. Maar die kans kreeg ik niet meer. De dood komt vaak onverwachts en dat was ook hier zo.
Maar hij sliep in op een wijze die ook zijn leven kenmerkte: vredig.


0 reacties:
Een reactie plaatsen