
De ondermijning van de vrije meningsuiting
‘Ik ben het niet eens met wat u zegt, maar ik zal tot mijn dood uw recht verdedigen om het te zeggen.’
Deze uitspraak van de schrijver-filosoof François-Marie Arouet (1694-1778), beter bekend onder de naam Voltaire, kan niet vaak genoeg worden aangehaald. Als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Verlichting, legde hij mede de grondslag voor de acceptatie van een essentieel burgerrecht: het onvervreemdbare recht op de vrijheid van meningsuiting. Formeel zullen misschien weinigen het met diens uitspraak oneens zijn, maar de praktijk is anders.
‘Ik ben het niet eens met wat u zegt, maar ik zal tot mijn dood uw recht verdedigen om het te zeggen.’
Deze uitspraak van de schrijver-filosoof François-Marie Arouet (1694-1778), beter bekend onder de naam Voltaire, kan niet vaak genoeg worden aangehaald. Als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Verlichting, legde hij mede de grondslag voor de acceptatie van een essentieel burgerrecht: het onvervreemdbare recht op de vrijheid van meningsuiting. Formeel zullen misschien weinigen het met diens uitspraak oneens zijn, maar de praktijk is anders.
In het verleden was ik actief in de burger- en mensenrechtenbeweging en daar heb ik vooral één les uit overgehouden. Die luidt dat deze rechten elke betekenis verliezen zodra men er uitzonderingen op maakt door er sommigen van uit te sluiten. Dan worden deze rechten gereserveerd voor degenen die men sympathiek vindt en ontzegd aan degenen tegenover wie men vijandig staat. Dat geldt ook voor het recht op vrije meningsuiting zoals dat in Nederland is vastgelegd in artikel 7 van de grondwet en internationaal in zowel artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) als artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Door aan dit burgerrecht te tornen behoort de vrijheid van meningsuiting niet meer bij ieders volwaardig menszijn, maar wordt deze een voorrecht voor degenen die er de gewenste opinie op na houden.
Dat wil niet zeggen dat dit recht onbeperkt is. Elk formeeldemocratisch land kent zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld op grond van de openbare veiligheid. Ook zijn artikelen in de wet opgenomen waardoor in de praktijk de vrijheid van meningsuiting wél wordt ingeperkt. Zo staan in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht bepalingen tegen smaad, laster of het aanzetten tot haat. Het is aan de rechter om te bepalen of een uitgedragen mening valt onder het recht op vrije meningsuiting of bestraft dient te worden omdat ze onaanvaardbaar beledigend is voor degenen die door deze mening worden aangevallen. De rechter heeft eveneens als taak een oordeel te vellen wanneer dit recht mogelijk in strijd komt met een ander burgerrecht, zoals de vrijwaring van discriminatie die is vastgelegd in artikel 1 van de grondwet.
De recente discussies rond de vrijheid van meningsuiting laten veel verwarring zien. Deels heeft die te maken met subjectieve afwegingen die gaan over de vraag waar ook rechters mee worstelen, namelijk welk recht uiteindelijk prevaleert. Voor een ander deel volgt de verwarring uit het door elkaar halen van formeel onderschreven rechten enerzijds en eigen wensen over wat wel of niet zou mogen anderzijds. Zo meldde koningin Beatrix in haar troonrede uit 2006 dat de vrijheid van meningsuiting geen vrijbrief tot beledigen inhoudt, een opmerking waar ik het zelf mee eens ben maar die niet automatisch voortvloeit uit wat in wetgeving is vastgelegd.
De verwarring is echter ook het gevolg van interpretaties die het (grond)wettelijk kader te buiten gaan. Daarmee zijn we terug aan het begin: er zijn krachten gaande die streven naar het wegcensureren van wat hen persoonlijk niet bevalt.
Holocaustontkenners
Voor zover ik kan overzien zijn degenen die ontkennen dat er door de nazi’s gaskamers waren ingericht en dat daar miljoenen de dood vonden, veelal uit hetzelfde hout gesneden als de misdadigers die hiervoor verantwoordelijk waren. In het algemeen treft men onder hen sympathie voor de nazi’s en wringen zij zich in allerlei bochten om iets dat historisch uitvoerig is gedocumenteerd en voorlopig ook nog te ontlenen valt aan getuigenissen van overlevenden, tot een mythe te degraderen.
Dat wil niet zeggen dat dit recht onbeperkt is. Elk formeeldemocratisch land kent zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld op grond van de openbare veiligheid. Ook zijn artikelen in de wet opgenomen waardoor in de praktijk de vrijheid van meningsuiting wél wordt ingeperkt. Zo staan in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht bepalingen tegen smaad, laster of het aanzetten tot haat. Het is aan de rechter om te bepalen of een uitgedragen mening valt onder het recht op vrije meningsuiting of bestraft dient te worden omdat ze onaanvaardbaar beledigend is voor degenen die door deze mening worden aangevallen. De rechter heeft eveneens als taak een oordeel te vellen wanneer dit recht mogelijk in strijd komt met een ander burgerrecht, zoals de vrijwaring van discriminatie die is vastgelegd in artikel 1 van de grondwet.
De recente discussies rond de vrijheid van meningsuiting laten veel verwarring zien. Deels heeft die te maken met subjectieve afwegingen die gaan over de vraag waar ook rechters mee worstelen, namelijk welk recht uiteindelijk prevaleert. Voor een ander deel volgt de verwarring uit het door elkaar halen van formeel onderschreven rechten enerzijds en eigen wensen over wat wel of niet zou mogen anderzijds. Zo meldde koningin Beatrix in haar troonrede uit 2006 dat de vrijheid van meningsuiting geen vrijbrief tot beledigen inhoudt, een opmerking waar ik het zelf mee eens ben maar die niet automatisch voortvloeit uit wat in wetgeving is vastgelegd.
De verwarring is echter ook het gevolg van interpretaties die het (grond)wettelijk kader te buiten gaan. Daarmee zijn we terug aan het begin: er zijn krachten gaande die streven naar het wegcensureren van wat hen persoonlijk niet bevalt.
Holocaustontkenners
Voor zover ik kan overzien zijn degenen die ontkennen dat er door de nazi’s gaskamers waren ingericht en dat daar miljoenen de dood vonden, veelal uit hetzelfde hout gesneden als de misdadigers die hiervoor verantwoordelijk waren. In het algemeen treft men onder hen sympathie voor de nazi’s en wringen zij zich in allerlei bochten om iets dat historisch uitvoerig is gedocumenteerd en voorlopig ook nog te ontlenen valt aan getuigenissen van overlevenden, tot een mythe te degraderen.
Het ontkennen van de Holocaust is zonder twijfel het meest verhelderende voorbeeld van wat vrijheid van meningsuiting inhoudt. Hun opvattingen zijn abject, maar mag men daaruit afleiden dat zij het ook niet meer mogen zeggen? Het antwoord is nee. Wie zich antisemitisch uit of oproept om joden te vervolgen, dient zich voor de strafrechter te verantwoorden. Maar dat is iets anders dan hen te verbieden te zeggen dat de waarheid omtrent de Holocaust anders ligt dan wordt aangenomen. Desondanks hebben elf landen Holocaustontkenning strafbaar gesteld. Op basis daarvan zijn er vaak forse veroordelingen uitgesproken over mensen als Ernst Zündel (2006), David Irving (2006), Bruno Gollnisch (2007), Kostas Plevris (2007), Sylvia Stolz (2008), Roeland Raes (2008), Gerd Honsik (2009) en de voormalige activist van de stadsguerrillagroep de Rote Armee Fraktion (RAF), Horst Mahler (2009).
Het was de Amerikaanse taalkundige en anarchist Noam Chomsky die in 1979 precies deed wat de verdediging van de vrije meningsuiting gebiedt. Hij kwam op voor het recht van de Franse Holocaustontkenner Robert Faurisson om voor zijn mening uit te komen. Deze was veroordeeld naar aanleiding van de publicatie van een boek waarin de Holocaust werd ontkend. Chomsky stelde dat de beweringen van Faurisson absurd waren maar dat dat uit wetenschappelijk debat moest blijken: de rechter diende zich daar niet in te mengen.
Het was de Amerikaanse taalkundige en anarchist Noam Chomsky die in 1979 precies deed wat de verdediging van de vrije meningsuiting gebiedt. Hij kwam op voor het recht van de Franse Holocaustontkenner Robert Faurisson om voor zijn mening uit te komen. Deze was veroordeeld naar aanleiding van de publicatie van een boek waarin de Holocaust werd ontkend. Chomsky stelde dat de beweringen van Faurisson absurd waren maar dat dat uit wetenschappelijk debat moest blijken: de rechter diende zich daar niet in te mengen.
Chomsky werd beschuldigd van antisemitisme, hetgeen versterkt werd door zijn harde kritiek op de staat Israël – alsof dat ook maar iets met antisemitisme te maken zou hebben. De kritiek op hem getuigde precies van het hiervoor genoemde misverstand dat men burgerrechten kan verdedigen tot op het moment dat de geventileerde opvatting niet in de smaak valt.
De recente ophef over de zijdelingse opmerking van VVD-leider Mark Rutte over Holocaust-ontkenning liet opnieuw zien hoe weinig de meeste politici van burgerrechten begrepen hebben. Hij meende, hoewel later weer afgezwakt, dat de strafbaarstelling van deze ontkenning er aan moest geloven wil de vrijheid van meningsuiting realiteit zijn. Voor de afwisseling was ik het een keer met Rutte eens, maar onder meer vanuit de hoek van het CDA werd er direct schande van gesproken. Het zijn ook hier weer de eigen normen die dit burgerrecht uitkleden omdat het nu even niet uitkomt.
Andere genocides
Naarmate de voorbeelden minder extreem worden, wordt het gevaar van de selectieve toekenning van burgerrechten des te duidelijker. De betreffende zaak is omstreden en het aantal twijfelaars aan de heersende opinie neemt toe.
De recente ophef over de zijdelingse opmerking van VVD-leider Mark Rutte over Holocaust-ontkenning liet opnieuw zien hoe weinig de meeste politici van burgerrechten begrepen hebben. Hij meende, hoewel later weer afgezwakt, dat de strafbaarstelling van deze ontkenning er aan moest geloven wil de vrijheid van meningsuiting realiteit zijn. Voor de afwisseling was ik het een keer met Rutte eens, maar onder meer vanuit de hoek van het CDA werd er direct schande van gesproken. Het zijn ook hier weer de eigen normen die dit burgerrecht uitkleden omdat het nu even niet uitkomt.
Andere genocides
Naarmate de voorbeelden minder extreem worden, wordt het gevaar van de selectieve toekenning van burgerrechten des te duidelijker. De betreffende zaak is omstreden en het aantal twijfelaars aan de heersende opinie neemt toe.
Schokkend was het initiatiefwetsvoorstel dat de huidige staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat Tineke Huizinga namens de fractie van de ChristenUnie in 2006 indiende om het ontkennen van genocide en andere misdaden tegen de menselijkheid strafbaar te stellen. De ‘Armeense genocide’ in het Ottomaanse Rijk ten tijde van de Eerste Wereldoorlog werd daarin met name genoemd. In het huidige Turkije wordt echter veelal gesteld dat de grote aantallen Armeniërs die omkwamen, vooral als gevolg van hongersnood bezweken. Het feit dat bijvoorbeeld de Nederlands wetenschapper en Turkije-deskundige Erik-Jan Zürcher vraagtekens zet bij de bewijzen voor de genocide, laat op zijn minst zien dat het hier geen onomstotelijke waarheid betreft. Ook hier geldt dat niet een verbod maar debat en wetenschappelijk onderzoek uitsluitsel moeten bieden.
Intussen bereidt kamerlid Joël Voordewind van de ChristenUnie een wetsontwerp voor tot strafbaarstelling van genocides in het algemeen. Hier wordt per wet vastgelegd wat men mag zeggen en opschrijven en wat men niet mag zeggen en opschrijven. Het criterium daarbij blijkt niet slechts te zijn het ontkennen van volkerenmoord: men mag deze zelfs niet relativeren door deze in een ander historisch licht te plaatsen. Voordewind: ‘Wij willen alle bagatelliserende en beledigende ontkenning van genocides strafbaar stellen.’ Het voorstel zet de deur open naar een staatsdictatuur.
Willekeur
Hoe selectief men is, blijkt wel uit de wijze waarop het recht van Geert Wilders om te zeggen wat hij wil op de vierkante millimeter wordt uitgevochten. Een oproep aan hem door minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen om het filmpje Fitna niet uit te zenden, werd door sommigen al geïnterpreteerd als aanval op de vrijheid van meningsuiting. In feite was diens appèl, al dan niet terecht, ingegeven door de vrees dat de (internationale) openbare orde in gevaar kwam en mensen daardoor mogelijk risico’s liepen. Op vergelijkbare gronden verbood de Britse overheid Wilders de toegang tot het land. Ook hier was het argument dat van openbare orde. De PVV’er heeft wat mij betreft overigens alle recht om binnen de grenzen van de wet zijn meningen vrijuit te verkondigen, ook al draait mijn maag om van wat hij zegt.
Op zijn hoogst ligt de PVV-kwestie op het grensvlak van de vrije meningsuiting die in het geding zou kunnen komen. Maar op andere terreinen doet men ineens nergens moeilijk over. Het absolute dieptepunt treffen we aan bij de aantasting van dit recht voor aidsdissidenten, waarover op dit weblog uitgebreid is bericht. Zolang niet één politieke partij in de Kamer hier een probleem in ziet, verdient geen ervan het predicaat democratisch. Datzelfde geldt voor aidsorganisaties en prominente wetenschappers die deze dissidenten uitsluiten en deels hen – hoe ironisch – voorzien van de fascistische kwalificatie Holocaustontkenners. Zij reserveren de vrijheid van meningsuiting voor henzelf en degenen die naar hun pijpen dansen.
We zijn gewaarschuwd – voor de verdedigers van een recht dat uitsluitend vriendjes blijkt te betreffen.
Willekeur
Hoe selectief men is, blijkt wel uit de wijze waarop het recht van Geert Wilders om te zeggen wat hij wil op de vierkante millimeter wordt uitgevochten. Een oproep aan hem door minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen om het filmpje Fitna niet uit te zenden, werd door sommigen al geïnterpreteerd als aanval op de vrijheid van meningsuiting. In feite was diens appèl, al dan niet terecht, ingegeven door de vrees dat de (internationale) openbare orde in gevaar kwam en mensen daardoor mogelijk risico’s liepen. Op vergelijkbare gronden verbood de Britse overheid Wilders de toegang tot het land. Ook hier was het argument dat van openbare orde. De PVV’er heeft wat mij betreft overigens alle recht om binnen de grenzen van de wet zijn meningen vrijuit te verkondigen, ook al draait mijn maag om van wat hij zegt.
Op zijn hoogst ligt de PVV-kwestie op het grensvlak van de vrije meningsuiting die in het geding zou kunnen komen. Maar op andere terreinen doet men ineens nergens moeilijk over. Het absolute dieptepunt treffen we aan bij de aantasting van dit recht voor aidsdissidenten, waarover op dit weblog uitgebreid is bericht. Zolang niet één politieke partij in de Kamer hier een probleem in ziet, verdient geen ervan het predicaat democratisch. Datzelfde geldt voor aidsorganisaties en prominente wetenschappers die deze dissidenten uitsluiten en deels hen – hoe ironisch – voorzien van de fascistische kwalificatie Holocaustontkenners. Zij reserveren de vrijheid van meningsuiting voor henzelf en degenen die naar hun pijpen dansen.
We zijn gewaarschuwd – voor de verdedigers van een recht dat uitsluitend vriendjes blijkt te betreffen.


0 reacties:
Een reactie plaatsen